Publicaties & Projecten


Terug
Das Festival des Politischen Liedes

ALS JE ELKAAR KENT KUN JE MOEILIJK OP ELKAAR SCHIETEN

(Peter van der Pouw Kraan, met dank aan Malou Nozeman, verschenen in NN 52, 8-3-1990)

In februari 1990 vond in Oost-Berlijn het twintigste, en misschien laatste, Festival van het Politieke Lied plaats. Opener dan ooit maar ook in het verleden kon het de machtsverhoudingen niet alleen maar legitimeren. Dit jaar namen voor het eerst de alternatieve fanfares uit Europa deel. Uit Oost-Berlijn waren dat de Bolschewistische Kurkapelle Schwarz-Rot en Die Lezte Verzweifelte Hoffnung. Ze gebruikten Bach, Duitse blaasfolklore en een herontdekte Eisler voor kritische collage's.

Half februari vond in Oost-Berlijn het twintigste Festival van het Politieke Lied plaats. Een enorm jaarlijks festival met een week lang optredens in theaters, jeugdclubs en op straat. Bands uit Rusland, Amerika, Engeland, de DDR zelf etc, Mercedes Sosa, Inti Ilimani, Farafina uit Burkina Faso, liederenzangers. En dit jaar voor het eerst tien alternatieve blaasgroepen uit West-Europa en Oost-Berlijn, waaronder De Fanfare van de Eerste Liefdesnacht uit Amsterdam en Tegenwind uit Utrecht. Ik speel in De Eerste Liefdesnacht.

De fanfarebeweging
Er blijkt zich in de jaren tachtig een Europese alternatieve fanfarebeweging te hebben ontwikkeld, nauw verbonden met actiebewegingen. Ze onderscheiden zich van de houtenklazerige, geüniformeerde en al of niet met majorettes in het gelid marcherende traditionele kapellen door hun speelsheid, theaterachtige grappen, jazzinvloeden en een linkse instelling. Het Willem Breuker Kollektief en De Volharding behoren vaak tot de inspiratoren. "Toen nu het volk het geschal der bazuinen vernam", citeert het festivalprogramma, "en een luid krijgsgeschreeuw aanhief, stortte de muur in en het volk drong de stad binnen."

Door ons drukke optreedschema hebben we weinig kunnen merken van het niet- blazersdeel van het festival, maar de ontmoeting met zo'n 160 alternatieve blazers uit Zwitserland, BRD, Frankrijk en de DDR was ook leuk. Het contact tussen progressieve musici van overal is natuurlijk een van de aardige dingen van zo'n spektakel.
We speelden tot vroeg in de ochtend voor swingende mensen in jeugdclubs, overdag in theaters waar je een tientje entree moest betalen om op een pluche stoel naar ons te luisteren. En op zaterdagmiddag op de gigantische Alexanderplatz - een oncontroleerbaar straatoptreden dat vóór november absoluut was uitgesloten.
We spraken veel Oost-Berlijners; meestal was het heel gezellig en het bier 's avonds was goedkoop. Hét gespreksthema was natuurlijk het verdwijnen van de muur en de hereniging van Duitsland. Veel mensen maken zich zorgen over het tempo. 'Het lijkt wel een uitverkoop' zei een oude vrouw. De hoop die er nog even was op een alternatief voor de West-Duitse marktekonomie is de bodem ingeslagen. 'De veranderbaarheid van de maatschappij slaat nu niet meer alleen op de DDR, ik ben van de ene op de andere dag wereldburger geworden. (..) Zullen we aan het nieuwe Duitsland deelnemen ten koste van de Derde Wereld, net als de BRD nu? En hoe verzet je je daartegen?' zei een ander.
Iemand van de Bolschewistische Kurkapelle Schwartz-Rot, een alternatieve Oost-Berlijnse fanfare: "Mijn situatie is te vergelijken met die van Wolf Biermann die in '76 uit de DDR werd uitgewezen. Ik voel me ook uitgewezen en kan niet meer terug - de DDR is weg, je woont al praktisch in het Westen. Misschien zou je uit Duitsland weg moeten gaan, naar een ander land waar een grotere mate aan vanzelfsprekende democratische kultuur en tolerantie is. (..) Ik ben bang voor groeiende intolerantie tegenover buitenlanders, voor groeiende agressie tegenover politiek andersdenkenden. En hoewel ik geen grote aanhanger ben van de BRD koester ik nog een zekere hoop dat de democratische traditie daar die ontwikkelingen bij ons wat zal dempen." Hij is niet de enige die zich grote zorgen maakt over de snelle opkomst van extreem-rechts (10 procent van de stemmen volgens een gerucht).

Huren zijn nu nog heel laag en de angst bestaat dat ze fors zullen stijgen als huizen privé-bezit gaan worden. Iemand zei me dat om die reden kraken oogluikend wordt toegestaan; de huizen zijn nu 'van het volk' en kraken voorkomt dat ze in handen van speculanten vallen.
Na de aanvankelijke Oost-Weststroom is er nu een West-Ooststroom van mensen die in Oost-Berlijn voor een prikkie inkopen doen of in sjieke restaurants gaan eten, tot wanhoop soms van de obers.
In hallen van grote theaters hingen fototentoonstellingen van de november- demo's. 'Later zullen ze ons vragen waarom we dit systeem zolang hebben toegelaten' zei een ouder echtpaar met wie ik samen stond te kijken. Het waren aardige mensen met heel open gezichten, een soort gezichten dat ik vaak tegenkwam. 'Net zoals onze kinderen ons vragen hoe we Hitler hebben kunnen toelaten, we kunnen er geen antwoord op geven'.

In Oost-Berlijn logeerden we bij mensen van fanfare Die Letzte Verzweifelte Hoffnung. Ze zijn een recente afsplitsing van Die Bolschewistische Kurkapelle Schwarz-Rot. In andere jaren zouden we in een hotel terecht zijn gekomen maar door geldgebrek voor dit - misschien laatste - festival sliepen 160 blazers bij mensen thuis. Allemaal georganiseerd via het alternatieve blaascircuit. Misschien een voorproefje van hoe het festival basisdemocratisch kan blijven voortbestaan. Want of het als officieel gebeuren de omwenteling overleeft is nog maar de vraag.

Niet alleen een alibi voor de machthebbers
Het Festival van het Politieke Lied heeft zijn oorsprong in de verjaardagsfeesten van een zangvereninging, de Oktoberclub. Er werden dan altijd groepen uitgenodigd en zo ontstond geleidelijk het festival. Het kwam onder leiding van de FDJ (Freie Deutsche Jugend, jongerenorganisatie van de SED) en werd steeds meer een staatsfestival. Toch kon het nooit alleen een propagandafestival worden. Malou, een vriendin die voor de NOS een programma maakte, interviewde er deelnemers en organisatoren over en samen spraken we met Rolf Fischer. Hij was in 1985 een van de oprichters van de Bolschewistische Kurkapelle Schwarz-Rot en hij schreef of arrangeerde de meeste muziek.
Rolf: "In het begin was er een sterke gerichtheid op de wereld. Het festival was ook altijd het centrum van de solidariteitsbeweging. Met de Derde Wereld, de strijd in Chili, kwam als het ware de muzikale linkse wereld bij ons. Tot aan rockgroepen toe, als Floh de Cologne, Bots van jullie. Later namen ook de zogezegd beste groepen van ons eigen land eraan deel en kwamen met hun eigen inbreng, de omgang met de problemen hier, voorzover dat dan mogelijk was. Maar er waren ook groepen en zangers die niet mochten optreden, die te kritisch waren. Wolf Biermann als bekend voorbeeld, de rockgroep Renft, in '76 verboden, Bettina Wegner die alleen maar in de marge, bij kleine bijeenkomsten mocht optreden."
Malou:Was het dan een volkomen onkritisch gebeuren?
Rolf: "Ze was binnen de mogelijkheden vaak niet onkritisch. Verschillende groepen probeerden zo ver te gaan als mogelijk was. Vooral op het gebied van de poëzie, de teksten, nieuwe vormen, theatervormen, om de problemen van ons land naar voren te brengen. Maar de liederenzangers bleven altijd in de marge van het festival. Later verhardden zich de tegenstellingen, er kwamen steeds heftiger diskussies over wie er wel en niet mochten optreden."

Arno Schmidt, zanger van de Oost-Duitse 'Arno Schmidt & Band': "We konden zelf nergens heen en dit was een van de weinige festivals waarop een zeer bonte alternatieve buitenlandse gastenschare in het land kwam, waarmee je ook een week lang contact kon hebben, en waar je elkaar wederzijds kon leren kennen. En als je elkaar kent kun je moeilijk op elkaar schieten hè."
Hij vermoedt dat festivals als dit ook belangrijk zijn geweest voor de vreedzame omwenteling in de DDR: " Zo'n festival kon niet alleen gebruikt worden als alibi voor de machthebbers maar had ook een terugslag op de machthebbers. 20 jaar festival zijn ook 20 jaar mensen die vrije gedachten gehoord hebben en geconfronteerd zijn met vrijheidslievende en vredelievende opvattingen. Zo'n hele generatie die daardoor is beïnvloed kun je natuurlijk slecht tegen elkaar opzetten. Vaak kwamen vier, vijf dagen lang vijf- tot tienduizend mensen naar optredens. Het waren mensen uit alle lagen van de bevolking, niet alleen intellectuelen, ook arbeiders, mensen uit Kampfgrupen, veiligheidsdiensten en politiemensen kwamen daar in hun vrije tijd. Dat soldaten niet geschoten hebben toen tijdens de novemberdemo mensen op de muur afliepen heeft toch ook iets met een gezamenlijke cultuur te maken."
Dit jaar is voor het eerst alle kritiek mogelijk, maar tegelijk minder interessant. Jörn Fechner van de festivalorganisatie: " We kennen nu het begrip 'verloren liederen', ze zijn dikwijls echt verloren: omdat tóén nauwelijks iemand ze heeft leren kennen, ze werden alleen in kleine clubs gezongen - dat was nog wel mogelijk - en niet via de massamedia, ze zijn niet gedrukt, er zijn geen platen van."

Alternatieve blaasmuziek in Oost-Berlijn
Rolf: "In 1985 hadden we met drie mensen uit een muziektheatergroep het plan een blazersgroep op te richten. De impuls kwam via het Festival des Politischen Liedes. Er was een brassband uit Engeland te gast die o.a. de Mahogony-song speelden en Macina Macaronica uit Italië, een rockband die ook veel met theater deed en plotseling met blaasinstrumenten door de zaal liep. Dat idee van een communicatieve muziek, met lol en power. Iets heel anders dan die gitaarteksten/poëzie."
Malou: Blaasmuziek associeer ik ook met marsmuziek en militaire muziek.
Rolf: "Natuurlijk, maar door de groepen die hier waren, en ook de platen die we kenden van het Sogenannte Linksradikalen Blasorchester uit Frankfurt (speelde veel bij akties rond '80. P.) - alleen vanwege hun naam mochten die nooit worden uitgenodigd - wilden we vanuit zo'n links muzikaal concept een groep oprichten. Ik had nog nooit blaasmuziek geschreven en kende natuurlijk die marsmuziek en folklorischtische blaasmuziek. Ik heb die gehaat en haat die nu nog."
Na enige tijd was er een bezetting van 20 mensen. "Het idee was een groep op te richten die professionele muzikanten en geëngageerde amateurs verbindt. De politieke geëngageerdheid is ook in dit land een probleem. Op uitzonderingen na zijn ook avantgardistische jazzmusici in hun houding ten opzichte van linkse muziek heel conservatief."
"Voor de Kurkapelle heb ik de eerste jaren bijna alleen het repertoire geschreven, ook omdat we toen nog helemaal geen contact hadden met West-Europese bands. Het contact werd gelegd door I.G. Blech (ontzettend leuke aktie-fanfare. P.) uit West-Berlijn die op de een of andere manier van ons bestaan had gehoord, waarschijnlijk via cassettes die ze via via in handen kregen."
Malou: Wat is er links-radicaal of geëngageerd in jullie muziek?
Rolf: "Aan de ene kant de bewuste omgang met onze proletarische avantgardecultuur. Van Mühsam, tot Eisler, Brecht, Dessau. Tot hen hebben we altijd een progressieve verhouding gehad. Hun ideeën, ook esthetisch, waren voor ons altijd van belang. Het concept bij het begin van deze kapel was Eisler spelen, Eisler spelen en nog eens Eisler spelen omdat deze mens, die we zeer bewonderden als componist en als politicus en estheticus alleen nog als museumstuk behandeld wordt van wie nog nauwelijks werken worden uitgevoerd. We wilden Eisler, die ons door de school ook zo tegen gemaakt is, weer naar de mensen brengen, ook naar de clubs bij mensen die nooit naar een concert gaan. Hij heeft werkelijk heel grappige, vrolijke, opwekkende muziek gemaakt. We hebben stukken van hem bewerkt en geprobeerd die over te brengen naar onze tijd. Het werd gecontrasteerd met de zogenaamde folkloristische elementen die onze blaasmuziek heeft en met concertmiddelen, bijvoorbeeld fuga's. En ook de vorm werd veranderd. Aan de andere kant hebben we ook koralen, uit de Luthertijd, zoals 'Uit diepe nood roep ik tot U' op Eisler-manier bewerkt. Die titels kondigden we ook aan. In de losse communicatie, met bier of op een clubavond lieten we niet zonder stoppen de muziek onbecommentarieerd doorlopen."
"Bij een titel als 'Uit diepe nood..' legden we niets uit omdat je het publiek niet dommer moet achten dan het is. Het publiek in de DDR is heel alert geworden op kritische dingen die in de kunst gebeuren, net zoals het gewend is tussen de regels door te lezen."
Rolf: "In de oprichtingstijd hebben een paar mensen van de Berlijnse afdeling van de FDJ ons een beetje de hand boven het hoofd gehouden zodat we niet door andere instituties weggedrukt of verboden werden. Ze hebben er op gelet dat deze groep groeien kon, wat kon proberen en kon optreden, ook al mocht de naam eerst niet genoemd worden. Maar dat was een kwestie van tijd en geduld. Tot nu toe moest je een zeer lange adem hebben om iets voor elkaar te krijgen, in dit geval een muzikaal concept."
Echt openlijke kritiek was volgens Rolf niet mogelijk. Daarmee zou je het voortbestaan van de groep op het spel zetten. Maar met hun muzikale citaten- techniek konden ze veel overbrengen. Zo was een bezoek van Honnecker aan Noord-Korea aanleiding tot een medley van Noordkoreaanse revolutionaire operamuziek. Dat werd een kleine schlager, volgens Rolf. Toen later zoveel Oost-Duitsers via Hongarije vertrokken speelden ze een 'Hongaarse rapsodie'.

Plastiek tasjes
Rolf: "Voor de Wende was het niet mogelijk met de muzikanten van I.G. Blech uit West-Berlijn samen te spelen. Ze konden de instrumenten niet meebrengen, laat staan dat wij naar de overkant konden. Maar ze zijn gekomen en hebben hun mondstukken meegebracht en hebben op onze instrumenten geblazen en een enkeling slaagde er ook in zijn klarinet mee te brengen. Zo konden we onze stukken samen spelen en ook repertoire van hen overnemen. Zoals uit het communicatie-gebied van muziek die niet een bepaalde geestelijke lading heeft: filmmuziek van Nino Rota bijvoorbeeld of Latin, muziek die gewoon plezierig is. In het openbaar spelen was er niet bij."
"Tot '88 waren we op ons zelf aangewezen. We hoorden alleen platen, bijvoorbeeld van het Breukerkollektief - die overigens verschillende keren op het festival speelde, dat was ook één van de lijnen van de traditie die ons aansprak."

Voor dit festival hebben IG Blech en Die Letzte Verzweifelte Hoffnung een muziektheaterstuk gemaakt, Die Beutelsymfony. 'Beutel' zijn plastiek tasjes. Na het verdwijnen van de muur verschenen ze in het Oost-Berlijnse straatbeeld, met de opdrukken van de West-Berlijnse winkels waar het 'Begrüssungsgeld' was besteed. Thema was de nieuwe rol die het geld plotseling is gaan spelen en de bevreemding daarover. Eerst hoor je uit een speaker het kloppende geluid van de muurspechten, een vervormde versie van het West-Duitse volkslied dat Brandt, Momper en Kohl in november aanhieven, uitgefloten door het West-Berlijnse publiek en tenslotte het herhaalde geluid van een kassa - van de Pink Floyd-elpee 'Dark Side of the Moon'.
Op het podium verschijnen twee tubaspelers. Uit de West-Berlijnse tuba haalt iemand als een goochelaar een lange sliert aan elkaar geknoopte plastiek tasjes. En dan barst de muziek los met bijvoorbeeld 'Money' van Pink Floyd - overgaand in 'Over de opwekkende werking van het geld' van Brecht, dat plotseling weer heel aktueel is. (zie onder) De leden van de twee groepen bedachten het stuk en Rolf componeerde het tot een geheel.

Tijdens de grote novemberdemo's speelde de Kurkapelle op een geparkeerde vrachtwagen op de Alexanderplatz, waar de demo bij elkaar kwam. Lopend spelen ging niet omdat zoiets kleins en banaals als muziekklemmen om op de instrumenten te zetten in Oost-Berlijn niet te koop is, evenmin als het kleine formaat muziekpapier dat je daarvoor nodig hebt.
Rolf: "En ons muzikale concept was ook muziek om naar te luisteren en niet om op te marcheren. Want stel dat we die hadden, waar hadden we die daarvoor dan moeten uitvoeren."
Peter: Hoe reageerden de mensen op de Alexanderplatz op de muziek?
Rolf: Dat leidde tot veel plezier. Veel mensen kennen het helemaal niet, een kapel die geëngageerd plotseling heel andere muziek speelt dan gebruikelijk: geen big band, geen folklore. De spelers hebben er plezier in en zien er een beetje gek uit. Dat is de eerste esthetische aantrekkingskracht. En dan werden er aankondigingen gedaan en werd duidelijk waarom het ging, dat het muziek was van onze grootste componist van deze eeuw."
Peter: Gebeurde er ook zoiets met rockmuziek?
Rolf: "Ten dele. Een tijdlang was er de Neue Deutsche Welle. Er ontstonden veel groepen in een subkultuur. Ze speelden bijvoorbeeld op binnenplaatsen achter de huizen. Meestal punkbands. We hebben een keer met een vrij bekende groep, Feeling B, samen gespeeld."
"Wat betreft de Wende hebben zich niet alleen rock- en blaasmuzikanten geëngageerd maar ook liederenmakers en serieuze kunstenaars traden op in de kerk tijdens de oktoberdagen. Dat was geen kwestie van mobiliteit. In de kerk werd tevoren alles opgebouwd. (...) De Wende werd in september, oktober ook heel sterk ondersteund en mede gedragen door optredende kunstenaars. Rockgroepen voorop, met name de groep Pankow. In september lazen ze bij hun rockconcerten een door duizenden kunstenaars ondertekende resolutie voor. Ze werden er enige tijd om verboden."

Snaren en mondstukken
Als je het over muziek hebt, heb je het over technologie, over de beschikbare geluidsproducerende apparaten. Vandaar de vraag: Hoe komen amateurs eigenlijk aan muziekinstrumenten en hoe onderhouden ze die?
Rolf: We hebben hier een lange traditie van instrumentenbouw. Maar de afgelopen decennia werd er vooral voor de export gebouwd. Een jong iemand die een instrument wil leren bespelen gaat naar een muziekschool. De eerste tijd kun je er daar een lenen, maar ondertussen moeten de ouders proberen een viool, een klarinet, een cello, of wat dan ook te kopen. Dat duurde heel lang. Op een gitaar moest je zeven jaar wachten. Deze wanverhouding leidde er ook toe dat er geen brede nieuwe lichting van muzikanten meer is. Ook de uitleenmogelijkheden van de muziekscholen liepen terug omdat de reparatiecapaciteit achterbleef bij de productie. Jarenlang kon je geen snaren voor strijkinstrumenten krijgen. Leraren die in orkesten speelden namen uit de orkestvoorraad snaren mee voor de muziekscholen. Er waren een enorme individuele inzet en kosten nodig als een jong iemand aan een instrument wilde komen en het ook wilde onderhouden."
"De laatste jaren is er een tamelijk goed functionerende handel in tweedehands instrumenten. En verder kennen de muzikanten, bijvoorbeeld de 50, 60 Berlijns saxofonisten die aan het conservatorium gestudeerd hebben elkaar allemaal. Als er ergens een instrument te koop is informeren ze elkaar. Of je gaat naar een instrumentbouwer, dan heb je na twee jaar een instrument. Voor grote solisten wordt extra gebouwd. Voor strijkinstrumenten is er ook een staatsuitleen voor topmuzikanten. Heel goede dure instrumenten blijven zo staatseigendom. Dat is een verworvenheid die schijnt te verdwijnen onder de kapitalistische verhoudingen."
"Een goede saxofonist heeft altijd een tweede saxofoon. Als voor reparatie onderdelen ontbreken ligt de eerste maandenlang bij de reparateur. Met rieten en mondstukken ligt het net zo. Professionele spelers grijpen terug op de know how van de westerse industrie. Iedere zichzelf respecterende speler heeft een mondstuk uit het westen."

Citeren mag, maar wel met bronvermelding en een berichtje aan de auteur.
Terug